Groeiwijze

De tuinbonen (Vicia faba) horen bij de familie van de vlinderbloemigen en komen dus te staan op het landje van de peulgewassen. Er zijn nogal wat synoniemen voor de tuinboon in omloop, denk hierbij aan veldboon, Roomse boon en labboon. De lichtgroene tuinboon is het meest bekend maar er zijn ook rassen met andere kleuren, bijvoorbeeld de rode tuinboon.

DSC_1033
Rode tuinbonen voor het zaaien: grote maar wat verschrompelde bonen. Dit betekent niet dat de bonen uitgedroogd zijn, ze zullen gewoon opkomen.

De vrij grote bonen worden voorgezaaid of direct in de volle grond gestopt. Uit elke tuinboon ontstaat een stengel die recht omhoog groeit en niet vertakt. Deze stengel wordt, afhankelijk van het ras, soms wel 120 cm hoog. In de bladoksels ontstaan in de loop van het moestuinseizoen bloemetjes. Rondom deze bloemetjes is het in het voorjaar vaak al druk met bijen en andere insecten die nectar komen snoepen.

Uit de bloemen ontstaan geleidelijk de peulen. In eerste instantie zijn de peulen slank en dun, later worden ze steeds dikker en ontstaat aan de binnenzijde een donzig laagje. Hierin liggen de nieuwe tuinbonen die tegen de tijd dat ze geoogst worden 2 tot 3 cm groot zijn.

Zodra de bonen groot genoeg zijn, kunnen de peulen geoogst worden. Het oogsten is niet zoveel werk maar het doppen en eventueel dubbeldoppen van de tuinbonen kan aardig wat tijd in beslag nemen.

Soorten & rassen

De rode tuinbonen hebben een iets roodpaarse waas over hun steeltje. Ook de tuinbonen zelf krijgen deze kleur.
De rode tuinbonen hebben een iets roodpaarse waas over hun steeltje. Ook de tuinbonen zelf krijgen deze kleur.

De verschillende tuinbonen kunnen globaal in twee soorten rassen worden ingedeeld:

  • Bruinkokende rassen: tuinbonen die na het koken bruin worden en de typische ietwat bittere tuinboonsmaak hebben. Ook het kookvocht wordt troebel en bruinig bij deze tuinboonrassen, waardoor ze er ingemaakt niet meer zo smakelijk meer uitzien. De zaden hebben een navel die wit of geelkleurig is. Deze tuinbonen worden geteeld om vers te consumeren.
  • Witkokende rassen: rassen waarvan de tuinbonen blank of lichtgroen blijven en die minder bitter zijn dan de bruinkokende rassen. Deze rassen worden vaak gebruikt in de verwerkende industrie, dus voor de glazen potjes met ingemaakte tuinbonen die je in de supermarkt kunt kopen. Omdat het kookvocht helder blijft, zien ingemaakte witkokende rassen  er aantrekkelijker uit voor de supermarktklant dan de bruinkokende rassen. De tuinbonen hebben witte bloemen en een vrij harde schil, waardoor ze minder geschikt zijn om in te vriezen.

Voorbereiding

Het eerste tuinklusje van maart: de tuinbonen voorzaaien. Door de bonenplantjes eerst binnen op te laten komen, krijgen ze een voorsprong van enkele weken ten opzichte van tuinbonen die direct in de koude tuingrond worden gezaaid. Door deze voorsprong zijn de tuinbonen eerder klaar en kan er dus eerder gesmuld worden. Kortom, voorzaaien is zeker de moeite waard.

De lichtbruine, droge, iets gerimpelde zaden lijken in de verste verte niet op verse tuinbonen. Maar dat mag de pret niet drukken, als ze maar kiemkracht hebben. Kiemkracht is moestuintaal voor de mogelijkheid van zaden om uit te komen, uit hun hoesje te kruipen en een klein plantje te worden. Om voor te zaaien, zijn er handige voorzaaibakken te koop met voor elk zaadje een eigen vakje. Zorg dat je voldoende zaden, zaaitrays en potgrond in huis hebt.

Voorzaaien is overigens echt geen must. Tuinbonen kunnen ook prima in de volle grond worden gezaaid. Maak hiervoor een stukje grond vrij op het landje van de peulgewassen. Maak de grond los en vrij van onkruid zodat de tuinbonen in een schoon zaaibed terecht komen.

Zaaien & Planten

Tuinbonen kunnen goed tegen kou en kunnen dus ook vroeg de tuin in. De planten kunnen op verschillende manieren geteeld worden:

  • Voorzaaien (binnenshuis of onder glas) en vervolgens uitplanten.
  • Vroeg in het voorjaar ter plaatse in de volle grond zaaien.
  • In het najaar in de volle grond zaaien. De planten komen dan in het najaar op, overleven de winter en kunnen zodra het iets warmer begint te worden meteen aan een groeispurt beginnen. De oogst valt dan extra vroeg. Deze manier heet weeuwenteelt.
De "gewone" tuinbonen hebben groene stengeltjes en komen bijzonder snel op. De flinke plantjes kunnen al gauw naar de moestuin verhuizen.
De tuinbonen hebben groene stengeltjes en komen bijzonder snel op. De flinke plantjes kunnen al gauw naar de moestuin verhuizen.

Zelf vinden we het leuk om tuinbonen voor te zaaien. Ik mik eerst een berg potgrond in de bak en verdeel het over de verschillende vakjes tot ze bijna vol zitten. De boontjes duw ik vervolgens stuk voor stuk in een eigen vakje van de voorzaaibak, tot ze ongeveer een centimeter onder de grond zitten. Tenslotte worden de boontjes toegedekt met nog een extra laagje potgrond en zet ik de voorzaaibak in een bak met daarin een klein laagje water. Van onderen bewateren, wordt dat genoemd. De grond neemt dan vanzelf voldoende water op om de tuinbonen te laten ontkiemen.

IMG_6536
Jonge tuinboontjes in de avondzon. Ondanks de lage temperaturen in het voorjaar groeien de tuinbonen gestaag door.

De voorzaaibakken zetten we in de vensterbank van de slaapkamer. In de slaapkamer is het licht maar niet te warm. Als de boontjes in de woonkamer staan, groeien ze veel te snel uit tot lange, slappe slungels. In de slaapkamer, mits het daar lekker fris is, groeien de zaden uit tot sterke plantjes die een stootje kunnen verdragen als ze straks buiten de kou in moeten. De nieuwsgierige bonenplantjes komen vaak binnen een week al een kijkje nemen boven de grond.

Een paar dagen voor de boontjes richting de tuin verhuizen, zetten we de plantjes (overdag) al buiten om te wennen aan het koude voorjaarsweer. Afharden heet dat in moestuintaal. Ik blijf het een beetje zielig vinden om die enigszins verwende, naïeve plantjes zomaar letterlijk in de kou zetten maar het is niet anders. Dat afharden is soms wel oppassen geblazen. Nu zijn tuinbonen niet de moeilijkste planten maar andere gewassen, zoals maïs en courgettes, zijn erg gevoelig voor nachtvorst. Ze kunnen in één nacht doodvriezen als je ze ‘s avonds vergeet binnen te halen. ’s Ochtends hangen ze dan levenloos en slap, niet meer te redden. Aan de andere kant is het afharden wel nodig. Als je de jonge plantjes zonder enige voorbereiding op de weersomstandigheden van buiten naar de tuin brengt, krijgen ze het daar wel heel erg zwaar te verduren.

IMG_4915Dankzij het afharden zullen de jonge tuinboontjes de overgang naar de moestuin goed doorstaan. In de moestuin worden de tuinbonen uitgeplant met ongeveer 15 cm ruimte tussen de planten. Tussen de verschillende rijen houden we ten minste 30 cm aan, al kan het geen kwaad om ze nog iets verder uit elkaar te zetten. Water geven is, ook net na het planten, vaak niet nodig omdat de grond in het vroege voorjaar nog nat genoeg is om de jonge plantjes van vocht te voorzien.

Verzorgen

IMG_5181
Verspreid hebben bladrandkevers halvemaanvormige inkepingen in de bladranden gegeten. Maak je geen zorgen, het probleem gaat vanzelf over als de planten straks sneller gaan groeien.

Net na het planten zal het onkruid over het algemeen nog niet hard groeien, vooral door de korte daglengte en de lage temperaturen in het voorjaar. Later in het seizoen kan het geen kwaad om af en toe onkruid weg te halen tussen de planten.

Water geven zal ook zelden nodig zijn. In het vroege voorjaar is de grond nog nat genoeg en zodra het droger begint te worden, hebben de tuinbonen al een uitgebreid wortelnetwerk gemaakt. Mocht je je toch zorgen maken over droogte dan kan het geen kwaad om water te geven. Tuinbonen zijn namelijk niet zo vatbaar voor schimmels.

Wel zul je in het voorjaar zien dat de planten vaak worden aangetast door de bladrandkever. Dit kleine beestje eet halvemaanvormige hapjes uit de randen van de bladeren. In het begin, als de tuinbonen nog niet zo hard groeien, kunnen de plantjes er daardoor wat gehavend uitzien. Op een gegeven moment gaan de tuinbonen echter sneller groeien dan de bladrandkevers kunnen eten. Hierdoor kan de plant zichzelf herstellen. Kortom, over de bladrandkever hoef je je geen zorgen te maken.

Een vervelender probleem bij tuinbonen is de zwarte luis. De zwarte beestjes zoeken elk jaar de tuinbonen op en kunnen ervoor zorgen dat de tuinbonen er bijzonder onsmakelijk uit gaan zien: de planten zitten vol met zwarte luizen en het plakkerige sap dat ze produceren. Zwarte luizen houden vooral van de malse top van de tuinboonplant. Luizen kunnen een bepaalde periode van het jaar vliegen en strijken dan graag neer op de sappige top van de tuinboonplant. Hier kunnen ze naar hartelust zoete plantensappen tappen.

IMG_5658Ondertussen onttrekken de luizen natuurlijk energie aan de plant, waardoor er minder energie overblijft om dikke tuinbonen te gaan vormen. Ook laten de luizen een plakkerig goedje achter op de planten (honingdauw) dat vervolgens schimmels kan aantrekken.

Een manier om zwarte luis te voorkomen, of het probleem in ieder geval te verminderen, is het toppen van de planten. Hierbij worden de toppen uit de planten verwijderd zodat de planten minder aantrekkelijk worden voor de zwarte luis. Ook breng ik elk lieveheersbeestje dat ik vind voorzichtig naar de tuinbonen. Lieveheersbeestjes zijn namelijk de biologische bestrijder van de zwarte luis. Die lieveheersbeestjes kunnen na het toppen mooi de paar overgebleven luizen oppeuzelen zodat we later in het seizoen mooie, dikke maar vooral ook schone tuinbonen kunnen oogsten.

Oogsten

IMG_5732
Ook al lijkt het heel wat, de inhoud van deze peulen is waarschijnlijk nog teleurstellend klein.

De dikke tuinboonpeulen lijken al snel heel wat. Maar laat je niet  voor de gek houden: de binnenkant van de peul is namelijk bekleed met een dikke, donzige laag. Dit vormt een zacht bedje waarin de tuinboontjes liggen te groeien. De donzige laag laat de peul al vrij groot lijken, terwijl de boontjes binnenin soms nog teleurstellend klein zijn.

Gelukkig zitten er vaak talloze peulen aan de planten dus af en toe een peul opofferen om te spieken hoe het van binnen gaat, is geen probleem. Er is geen perfect moment om de bonen te oogsten, het hangt namelijk af van je eigen voorkeur. Wat wel zeker is, is dat je eigenlijk te laat bent als de peulen zwart beginnen te kleuren.

Even gespiekt hoe groot de bonen al zijn. Conclusie: te klein, nog even geduld hebben.
Even gespiekt hoe groot de bonen al zijn. Conclusie: te klein, nog even geduld hebben.

Het oogsten van de tuinbonen is weinig werk. Het bovengrondse deel van de plant kan na de oogst de composthoop op dus voorzichtig hoef je niet te zijn. In een rap tempo de peulen van de plant af knippen of plukken en de oogst kan mee naar huis.

Laat het wortelstelsel van de tuinboon bij voorkeur in de grond zitten. Aan de wortels van de tuinboon, maar ook van veel andere peulvruchten, zitten namelijk kleine witkleurige bolletjes. In deze bolletjes zitten bacteriën die in samenwerking met de bonenplant stikstof binden. Een soort fabriekjes die plantenvoeding maken dus. Als deze voedzame wortels met stikstofbolletjes in de grond blijven zitten, kunnen ze al hun nuttige stoffen kunnen afgeven aan de bodem.

Eenmaal thuis begint het werk pas. Doppen, doppen en nog eens doppen… En als je wilt, kan je na het koken ook nog eens dubbeldoppen.

Bewaren

IMG_5779Tuinbonen kunnen goed ingevroren worden. Zo kan je in de loop van het jaar nog van je eigen tuinboontjes genieten. De bonen blijven langer goed als je ze blancheert voordat ze de vriezer in gaan.

Blancheer de tuinbonen in een grote pan kokend water. Als je de net gewassen tuinbonen in het kokende water mikt, duurt het best weer een tijdje voor het water opnieuw kookt. Je kan twee dingen doen om dit te voorkomen:

  • gebruik een grotere pan waar veel meer water in past, of
  • gooi steeds maar een kleine hoeveelheid tuinbonen in het borrelende water.

Mijn voorkeur gaat uit naar de eerste optie want met een flinke oogst ben je anders enorm lang bezig met blancheren, afspoelen, uitlekken en invriezen. Spoel de net geblancheerde tuinbonen eerst af onder de koude kraan en dompel ze daarna nog even in ijskoud water.

IMG_6005Het is handig om de tuinbonen vervolgens af te drogen voor je ze invriest. Als je een flinke hoeveelheid tuinbonen invriest, kan je steeds een paar bonen uit de bak schudden. Je hoeft dus niet steeds een hele bak op te eten maar kunt elke keer doseren hoeveel bonen je wilt.

Als je de tuinbonen niet afdroogt, zullen ze in de vriezer allemaal aan elkaar vastvriezen. Doseren wordt daardoor haast onmogelijk. Als je de tuinbonen eerst een beetje droogdept met een schone theedoek of keukenpapier, zullen de bonen niet (of in ieder geval veel minder snel) aan elkaar vastvriezen.

Leg de tuinbonen eventueel eerst op een droge theedoek in een lege vriezerlade. Op deze manier liggen de boontjes los van elkaar tijdens het invriezen waardoor de kans nog kleiner is dat de boontjes aan elkaar vast komen te zitten. Als de boontjes bevroren zijn, kan je ze met z’n allen in een grote plastic bak of in diepvrieszakjes invriezen. Op deze manier kan je later, als je de tuinbonen wilt gaan eten, heel gemakkelijk doseren hoeveel tuinbonen je wilt ontdooien.

Zaai- en plantkalender tuinboon

GewasSoortjanfebmrtaprmeijunjulaugsepoktnovdec
BMEBMEBMEBMEBMEBMEBMEBMEBMEBMEBMEBME
TuinboonVroeg Voorzaaien binnen Planten vollegrond Oogsten
Zaaien onder glas
Normaal Zaaien vollegrond Oogsten