Als moestuinier heb je veel te kiezen maar de bodem waarop je tuiniert ligt vast. Het is handig om te weten met welk soort grond je te maken hebt, elke grondsoort heeft namelijk eigenschappen om rekening mee te houden. Zandgrond zal bijvoorbeeld veel sneller uitdrogen dan kleigrond. Tegelijkertijd zal kleigrond over het algemeen langzamer opwarmen dan zandgrond. Kortom, elke grondsoort heeft zijn eigen voor- en nadelen. Veel grondsoorten kunnen verbeterd worden op manieren die specifiek zijn afgestemd op de grondsoort. Kortom, genoeg redenen om uit te zoeken op welke soort grond jij tuiniert.

In dit artikel worden de volgende onderwerpen besproken:

  • Soorten grond en hun eigenschappen
  • Bepalen met welke grondsoort je te maken hebt
  • Andere bestanddelen van grond
  • Eigenschappen van een gezonde bodem (achtergrond informatie)

Soorten grond en hun eigenschappen

Inzoomend op de bodem, kunnen de verschillende grondsoorten in categorieën worden ingedeeld. Deze categorieën zijn gebaseerd op de grootte van de gronddeeltjes waaruit de grondsoort bestaat.

  • Zand: een lichte en droge grondsoort die vrij gemakkelijk te bewerken is én die snel opwarmt. Zandgrond laat water gemakkelijk door waardoor je niet snel last zult hebben van teveel water in een moestuin op zandgrond. Doordat zandgrond weinig water vasthoudt, zal er zomers eerder sprake zijn van droogte dan bij kleigrond. Ook spoelen voedingsstoffen makkelijk weg uit de zanderige bodem (uitspoeling). Zandgrond bevat relatief weinig voedingsstoffen, waardoor zandgrond ook wel “arm” wordt genoemd. Zandgrond bestaat uit deeltjes die tussen de 63 micrometer en 2 millimeter groot zijn. Korrels groter dan 2 millimeter worden beschouwd als grind. Deeltjes kleiner dan 63 micrometer worden silt of leem genoemd.
  • Klei: klei is in veel opzichten de tegenpool van zand. In tegenstelling tot zand is klei zwaar en is tuinieren op kleigrond fysiek dus zwaarder dan tuinieren op zandgrond. Klei houdt veel vocht vast waardoor droogte niet zo snel een probleem als bij zandgrond. Klei warmt in het voorjaar langzaam op. Ook bevat klei, in tegenstelling tot zandgrond, relatief veel voedingsstoffen. Als je inzoomt op kleigrond, bestaat het uit zeer kleine bodemdeeltjes met een diameter kleiner dan 2 micrometer. Dit zijn geen ronde korreltjes, zoals bij zand, maar platte plaatjes. Kleigrond komt voor in de kuststreken (zeeklei) en langs rivieren (rivierklei).
  • Leem of silt: deze grondsoort bestaat uit deeltjes die een diameter hebben van 2 tot 63 micrometer. Kortom, de deeltjes zijn groter dan bij klei maar kleiner dan van zandgrond. Leem is minder zwaar dan klei en het plakt een beetje als het nat is. Het houdt, in tegenstelling tot zand, vocht goed vast.

Bepalen met welke grondsoort je te maken hebt

Misschien weet je al op welke grondsoort jouw (moes)tuin gelegen is. Zo niet, dan zijn er verschillende mogelijkheden om na te gaan met welke grondsoort je te maken hebt. Meestal kunnen ervaren (moes)tuiniers uit de buurt je wel vertellen op welke grond jouw moestuin gelegen is. Ook kan je zelf een eind komen door de grond goed te bekijken en aan de grond te voelen. Met klei kan je letterlijk kleien, met zand zal dat niet mogelijk zijn. Tenslotte kan je je grond laten testen door een grondmonster op te sturen naar een gespecialiseerd bedrijf. Dit laatste is geen goedkoop grapje maar geeft je wel veel informatie over de samenstelling van de grond en andere eigenschappen, zoals de zuurgraad en de hoeveelheid stikstof. Zo’n test is overigens absoluut niet noodzakelijk voor een succesvol moestuinseizoen, ik heb het zelf nog nooit laten uitvoeren.

Andere bestanddelen van grond

Een gezonde grond bestaat niet alleen uit bovengenoemde bodemdeeltjes maar bevat ook onder andere mineralen en organische stof. Organische stof is een verzamelnaam voor alles dat koolstofverbindingen bevat die zijn gevormd door levende organismen. In normaal Nederlands: organische stof bestaat uit levende dieren en planten én de afbraakproducten of restanten van dode planten en dieren. Denk hierbij aan (afbraakproducten van) blaadjes, takjes, grassprieten, mos, mest, zaagsel en bodemdiertjes zoals regenwormen, insecten en micro-organismen.

Humus wordt vaak als synoniem voor organische stof gebruikt, al klopt dit niet helemaal. Humus is het eindproduct van de afbraak van organische stof, hetgeen maar een klein deel vormt van de totale hoeveelheid organische stof in de bodem. Zoals hieronder te lezen valt, draagt organische stof op verschillende manieren bij aan een gezonde bodem.

Eigenschappen van een gezonde bodem

Een goede bodemstructuur

IMG_5280
Als je voorbij de bieslook kijkt, zie je dat zelfs ons zanderige grondje structuur heeft: de grond is geen zandbak maar bestaat uit “kluitjes” grond.

Bodemstructuur is de onderlinge samenhang van gronddeeltjes en organische stof. Als je de grond in de moestuin bekijkt, zul je zien dat de gronddeeltjes niet allemaal los van elkaar liggen (zoals in een zandbak wel vaak het geval is). Vooral bij kleigrond zie je dat de grond uit een soort kluitjes bestaat maar ook bij lichtere gronden is er structuur aanwezig in de grond. Een ander woord voor kluitjes is aggregaten.

Samenvattend is de grond georganiseerd in aggregaten. Tussen deze aggregaten is wat ruimte aanwezig, dit zijn de zogenaamde poriën van de grond. De samenhang, afmetingen en onderlinge rangschikking van aggregaten en poriën vormen belangrijke eigenschappen van de bodemstructuur.

Je kunt je wel voorstellen dat een bodem met veel poriën regenwater gemakkelijker zal doorlaten dan een bodem waarvan de aggregaten zijn samengeperst waardoor de poriën zijn verdwenen. Ook is het logisch dat aangestampte grond zonder poriën weinig (warme) lucht zal toelaten. Kortom, de structuur van de bodem heeft een grote invloed op de bodemvochtigheid, de doorluchtbaarheid en de temperatuur van de grond. Deze factoren hebben op hun beurt weer invloed op het bodemleven en de groei van planten.

Andersom heeft het bodemleven een belangrijke invloed op de structuur van de grond. Onder andere netwerken van schimmels en uitwerpselen van kleine bodemdiertjes dragen bij aan de vorming van aggregaten. Vooral regenwormen spelen een belangrijke rol bij de vorming van aggregaten en daarom zijn veel tuiniers blij met de aanwezigheid van regenwormen in de tuin.

De structuur van de bodem kan verbeterd maar ook verslechter worden. Grondbewerking, zoals spitten, leidt tot minder sterke aggregaten, de afbraak van organisch materiaal, verharding van de grond en een verminderde doorlaatbaarheid voor water. Om deze reden zijn er moestuiniers en boeren die ervoor pleiten om de grond minder intensief te bewerken of zelfs helemaal niet meer te ploegen of spitten.

Ook kan de structuur van de bodem achteruitgaan door inklinking: als de grond onder natte omstandigheden wordt bewerkt en daarbij inklinkt, kan je je voorstellen dat het aantal poriën afneemt. Dit leidt vervolgens tot een slechtere doorlaatbaarheid voor water. Grote hoeveelheden regen op braakliggende grond kunnen eenzelfde effect hebben: doordat aggregaten bij zware regenval uit elkaar kunnen vallen, ontstaat er soms een korst op de grond. Deze korst voorkomt dat water de grond in zakt, waardoor de kans groot is dat vruchtbare grond en voedingsstoffen wegspoelen naar bijvoorbeeld een nabijgelegen sloot. Tenslotte leidt het gebruik van kunstmest en een overschot aan stikstof tot versnelde afbraak van organische stof. Dit resulteert op zijn beurt weer in verslechtering van de bodemstructuur.

IMG_6434
Een flinke dosis compost draagt bij aan de structuur en dus aan de kwaliteit van de bodem.

Concrete tips ter verbetering van de bodem zijn:

  • Zorg voor voldoende organische stof, bijvoorbeeld in de vorm van oude stalmest en compost
  • Voorkom dat stukken grond langdurig braakliggen
  • Overweeg om de grond niet al te intensief te bewerken. Spitten is niet altijd nodig!

Bodemvruchtbaarheid

De bodem bevat voedingsstoffen die planten kunnen opnemen om te groeien. Deze voedingsstoffen vormen de bouwstenen waaruit planten zijn opgebouwd. Een goede bodem werkt als buffer voor voedingsstoffen waarbij de bufferfunctie ervoor zorgt dat voedingsstoffen niet verloren gaan door bijvoorbeeld uitspoeling bij hevige regenval. Om deze bufferfunctie te kunnen vervullen, maakt de bodem dankbaar gebruik van het bodemleven en de aanwezigheid van organische stof.

Het bodemleven bestaat uit onder andere schimmels en bacteriën. Deze microorganismen breken ondergronds organische stoffen zoals mest en dode plantenresten af. Door de afbraak van organische stoffen komen uiteindelijk CO2, water, minerale stikstof (N), fosfor (P) en andere nuttige elementen vrij.

Samenvattend leidt de afbraak van plantenresten en mest door het bodemleven tot het vrijkomen van belangrijke voedingsstoffen. Deze voedingsstoffen kunnen op hun beurt weer worden opgenomen om als bouwstenen voor groeiende planten te dienen. Op deze manier is de kringloop van voedingsstoffen rond. In de natuur vormt de afbraak van organische stof de belangrijkste bron van voedingsstoffen voor plantengroei. Er is, kortom, een evenwicht tussen afbraak en opname van voedingsstoffen.

In de de moestuin, daarentegen, is de kringloop van voedingsstoffen niet rond. Dit komt doordat de groenten worden geoogst en mee naar huis worden genomen. Door het oogsten worden de voedingsstoffen die gebruikt zijn om de plant op te bouwen aan de bodem van de tuin onttrokken. De voedingsstoffen die aan de bodem zijn onttrokken, moeten worden aangevuld om de grond gezond te houden. Dit is de reden dat de moestuin jaarlijks bemest moet worden met dierlijke mest, compost en/of groenbemesters.

Tips om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden:

  • Bemest de moestuin jaarlijks met dierlijke mest.
  • Maak gebruik van groenbemesters.
  • Composteer je groen- en keukenafval en verspreid deze compost over de moestuin.

Een gezond bodemleven

De afbraak van organische stof is dus afhankelijk van het bodemleven en andersom is het bodemleven afhankelijk van de aanwezigheid van organische stof. In andere woorden: bij organische bemesting bestaande uit dierlijke mest, compost en/of groenbemesters, zal het aantal bodemdiertjes toenemen. Andersom zal bij gebruik van kunstmest, waar geen organische stof in zit, de hoeveelheid bodemleven juist afnemen.

Een afname van de hoeveelheid bodemleven is ongewenst in de moestuin. Het bodemleven zorgt namelijk niet alleen voor de afbraak van organische stof. Ook helpt het planten bij het opnemen van voedingsstoffen. Zo kunnen planten uit de familie van de vlinderbloemigen (bijvoorbeeld klaver) in samenwerking met bepaalde bacteriën stikstof uit de lucht omzetten in voedingsstoffen. Ook zijn er bepaalde schimmels die samenwerken met plantenwortels. Door het bestaan van een uitgebreid netwerk van ondergrondse schimmeldraden, kunnen planten meer water en voedingsstoffen opnemen. Deze schimmelnetwerken helpen planten bij het opnemen van onder andere fosfaat, zink en stikstof.

Van belang voor een gezonde, vruchtbare bodem zijn:

  • Voldoende organische mest. Hierdoor is er voldoende voeding voor het bodemleven, stijgt het organische stofgehalte en blijft de hoeveelheid bodemleven op peil.
  • Niet teveel minerale mest (kunstmest). Een overschot aan minerale mest gaat ten koste van bovengenoemde stikstofbindende bacteriën en schimmelnetwerken.
  • De grond niet te intensief bewerken. Intensieve grondbewerking leidt tot versnelde afbraak van organische stof, waardoor het organische stofgehalte en het bodemleven achteruitgaan.

Natuurlijke ziekte- en plaagwering

Elke moestuinier met een beetje tuinervaring zal een aantal plantenziektes kunnen opnoemen. Zo worden aardappels en tomaten regelmatig aangetast door Phytophthora en kunnen aaltjes (nematoden, een soort mini-wormpjes) leiden tot aardappelmoeheid.

De bodem kan een belangrijke rol spelen in het voorkómen van deze ziektes. Plantenziektes treden uitsluitend op als een gevoelige plant en een ziekteverwekker elkaar ontmoeten in een geschikte omgeving. Er zijn dus drie voorwaarden voor het uitbreken van een plantenziekte. Als aan een of meerdere van deze drie voorwaarden niet wordt voldaan, zal de ziekte niet optreden. Deze constatering biedt aanknopingspunten om plantenziektes te voorkomen.

Ten eerste is er een relatie tussen de bodem en de gevoeligheid van planten voor het ontwikkelen van een plantenziekte. Zo kunnen planten gevoeliger voor ziektes worden bij overmatig gebruik van kunstmest. Een grote hoeveelheid kunstmest zorgt voor een sterke groei van planten. Dit klinkt als een voordeel maar helaas is sterke groei geassocieerd met een slechtere weerstand van de plant. Tegelijkertijd kan een gebrek aan voedingsstoffen uiteraard ook leiden tot kwetsbare planten. Het is dus belangrijk om de hoeveelheid mest af te stemmen op de behoefte van de planten.

Ten tweede kunnen de omstandigheden waarin plantenziektes floreren beïnvloed worden door bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen kunnen namelijk leiden tot overgroei van ziekteverwekkers. Een deel van de goede micro-organismen bezwijkt ten gevolge van de bestrijdingsmiddelen, waardoor de “bad guys” hun kans grijpen. De beste manier om een verstoring van het bodemleven te voorkomen, is het gebruik van bestrijdingsmiddelen achterwege laten. Ook een gebrek aan organische stof kan de zogenaamde microbiële gemeenschap verstoren, waardoor de vatbaarheid voor ziekten toeneemt.

Tenslotte kunnen plantenziektes voorkomen worden door ervoor te zorgen dat een gevoelige plant en een ziekteverwekker niet met elkaar in contact komen. Dit kan bereikt worden door wisselteelt of vruchtwisseling. Veel plantenziektes gedijen goed in grond waarin jaar na jaar dezelfde plantensoort wordt verbouwd. Als de verschillende plantensoorten elk jaar op een ander plekje in de moestuin komen te staan, zullen de ziektekiemen elk jaar opnieuw op zoek moeten naar hun lievelingsplant.

Samenvattend zijn er meerdere manieren om plantenziektes te voorkomen:

  • Gebruik niet teveel maar ook niet te weinig mest
  • Maak geen gebruik van bestrijdingsmiddelen
  • Zorg voor voldoende organische stof
  • Pas vruchtwisseling toe

Bron: Ecosysteemdiensten en bodembeheer: maatregelen ter verbetering van biologische bodemkwaliteit. Alterra, 2009.