De Japanse wijnbes (Rubus phoenicolasius) is een plant die verwant is aan de roos maar ook aan de braam en de framboos. De plant werd oorspronkelijk ingevoerd vanuit Azië en kreeg daarom de naam Japanse wijnbes. 

Groeiwijze

De Japanse wijnbes is een makkelijk groeiende struik waarvan de stengels wel drie meter lang kunnen worden. De nieuwe stengels ontstaan elk jaar vanuit de wortels van de plant. Aan de stengels en bladstelen zitten talloze roodbruine haartjes maar ook scherpe stekels. De stengels zijn in eerste instantie groen maar krijgen in de loop der tijd een roodbruine kleur. 

De stengels die in het vorige moestuinseizoen zijn gegroeid (tweejarige stengels) bloeien in mei en/of juni. Vervolgens ontstaan er trosjes vruchten aan de stengels. De vruchtjes bestaan uit meerdere kleine glanzende rode besjes. Omdat elk vruchtje uit een verzameling van kleinere vruchtjes bestaat, wordt de Japanse wijnbes een verzamelsteenvrucht genoemd. De vruchtjes laten als ze rijp zijn gemakkelijk los en voelen een beetje plakkerig aan de buitenkant. De smaak is friszoet. 

Nadat een stengel vrucht heeft gedragen, sterft hij af en kan de stengel teruggesnoeid worden. De nieuw gevormde stengels zullen volgend seizoen voor besjes zorgen. 

De planten kunnen vermeerderd worden door de toppen van de stengels op de grond te leggen en eventueel te bedekken met wat grond. Op deze manier zullen er wortels aan de stengeltop ontstaan en heb je binnen de kortste keren een nieuw plantje. Ook kunnen wortelstekken worden genomen om de plant te vermeerderen. 

Voorbereiding

Japanse wijnbes groeit op vrijwel alle grondsoorten prima. Het is vooral een kwestie van ruimte maken want de planten worden erg groot. 

Ook kan je van takken, betonijzer, palen en/of (gegalvaniseerde ijzer)draden een constructie maken waarlangs de struik geleid kan worden. Hierbij is het aan te raden om een vrij hoge constructie te maken, want de takken worden wel 3 meter lang. Ook kan je in de breedte werken (als constructies op jouw tuinvereniging bijvoorbeeld aan een maximale hoogte gebonden zijn). In dat geval is het slim om in ieder geval in de breedte alle ruimte te hebben voor het leiden van je Japanse wijnbes.

Planten

De Japanse wijnbes is makkelijk op te kweken. Als je planten hebt gekocht, is het een kwestie van ze op de juiste afstand van elkaar planten. Haal de kluit uit het potje en plant hem zo diep dat de bovenkant van de kluit overeenkomt met het niveau van de grond. Vul het plantgat met grond en geef een flinke hoeveelheid water. Je kunt meteen mulchen om de groei van onkruid en de verdamping van water te remmen.

Verzorgen

Na het planten, is het eerste jaar een kwestie van geduld hebben. De groeiende stengels worden in het voorjaar aangebonden zodat ze niet gaan woekeren. Aanbinden wil zeggen: langs een constructie leiden zodat de takken alleen de richting in groeien die jij wilt. Je kunt de plant ook haar gang laten gaan maar dan zal ze, net als bij bramen, een soort oerwoud van stengels vormen. De eerstejaars stengels zullen flink groeien maar nog geen vruchtjes maken. 

Rond de basis van de plant kan je eventueel een mulchlaag aanbrengen. Dit helpt om de groei van onkruid te voorkomen en zorgt op lange termijn van een betere structuur van de grond. Rondom de plant zullen in de loop van de zomer meerdere nieuwe takken uit de grond opkomen. Dit fenomeen heet opslag. Als je wilt dat de plant niet groter wordt, kan je deze opslag (deels) verwijderen. Haal echter niet alle nieuwe stengels weg want de eerstejaars stengels van dit jaar, zullen volgend jaar vrucht dragen. In andere woorden: als je alle nieuwe stengels wegsnoeit, heb je volgend jaar geen vruchtjes.

In het tweede jaar worden de stengels een stukje teruggesnoeid. Ook nu worden de stengels aangebonden zodat ze niet alle kanten op groeien. Als de struiken op een rij staan, worden 8 tot 10 stengels per strekkende meter aangehouden. De rest van de stengels wordt teruggesnoeid. 

Aan het einde van het jaar sterven de vruchtdragende stengels af. De afgestorven stengels worden ’s winters weggesnoeid zodat er plaats wordt gemaakt voor nieuwe stengels. 

Oogsten

Oogst de besjes als ze fel- tot donkerrood zijn. De bessen kleuren in de loop van het seizoen van oranje naar fel- tot donkerrood. De besjes zijn pas rijp als ze rood van kleur zijn. Net als bij frambozen laten de besjes gemakkelijk los als ze rijp zijn. Niet-rijpe besjes zitten nog vrij stevig vast aan de plant; een hint van de natuur dat je de vruchten beter nog even kunt laten hangen.

Bewaren

De besjes zijn teer en kwetsbaar en dus lastig te bewaren. Zelf snoepen we de vruchtjes in de moestuin op: tussen het werken door even een handjevol plukken en opsnoepen als zoete beloning voor al het werken. Je kunt de bessen ook invriezen of tot jam verwerken.